Inleiding

De sociale dialoog in Nederland wordt gevoerd op nationaal, sectoraal en bedrijfs­niveau. 1 Op nationaal niveau zijn de gesprekspartners de centrale werkgevers­organisaties, zzp-organisaties als PZO ZZP en FNV Zelfstandigen, vakbonden en soms de rijksoverheid. Voorbeelden zijn het overleg in de Stichting van de Arbeid en in de Sociaal-Economische Raad. Op sectoraal niveau is de dialoog doorgaans bipartiet georganiseerd, dat wil zeggen tussen sectorale werkgevers­organisaties en vakbonden. Dit is in de praktijk de belangrijkste en meest voorkomende vorm van overleg. Op dit niveau komen de sector-cao’s tot stand. Op bedrijfs­niveau heeft de sociale dialoog betrekking op het gesprek tussen bestuurder en vakbond (ondernemings-cao’s, sociale plannen) dan wel ondernemings­raad of personeels­vertegenwoordiging.

ILO-definitie van sociale dialoog

De International Labour Organization (ILO) hanteert als definitie van sociale dialoog: “alle vormen van onderhandeling, consultatie of uitwisseling van informatie tussen vertegenwoordigers van overheden, werkgevers en werknemers over economische en sociale beleidsvragen met een gezamenlijk belang”. 2 Dit omvat zowel bipartiete vormen van sociale dialoog (werkgevers en werknemers) als tripartiete vormen (werkgevers, werknemers en overheid). Daarnaast kan de sociale dialoog uitgebreid worden met andere belanghebbenden. Voor de culturele sector zijn in dat verband (belangenorganisaties van) zzp’ers van belang, aangezien circa 40 procent van de werkgelegenheid in de culturele sector zzp’ers betreft. Sociale dialoog omvat het brede spectrum van medezeggenschap op bedrijfsniveau tot internationale sociale dialoog in de ILO. Het overleg faciliteert gezamenlijke uitkomsten op een vreedzame en duurzame wijze. Dit voorkomt arbeidsonrust en bevordert daarmee het investerings­klimaat en duurzame economische en sociale ontwikkeling.

De SER en de Raad voor Cultuur concluderen in hun arbeidsmarkt­verkenning van de culturele en creatieve sector dat de sociale dialoog op sectoraal niveau over het algemeen zwak is ontwikkeld. Ook op het niveau van de organisaties hebben individuele werknemers en opdrachtnemers ten opzichte van werkgevers en opdracht­gevers beperkte onderhandelings­macht. 3 Dit komt enerzijds doordat het aanbod van werkenden veel groter is dan de vraag, anderzijds doordat de inhoudelijke gedrevenheid vaak voorop wordt gesteld en onder­handelings­vaardigheden zwak ontwikkeld zijn. Ook is de onderhandelings­ruimte bij gesubsidieerde culturele instellingen regelmatig beperkt omdat er geen ruimte is voor arbeids­voorwaarden­ontwikkeling, bijvoorbeeld door het uitblijven van indexatie. Desondanks geven sociale partners aan op dat er op sectoraal niveau doorgaans wel een goede samen­werking is. Zij wijzen daarbij op de bestaande cao’s in de culturele sector, het sectorplan Cultuur, hun rol bij het tijdelijk UWV Servicepunt Kunst en Cultuur, hun betrokkenheid bij het overleg tussen opleidingen en beroepspraktijk en hun inzet om de cultuurparticipatie te vergroten. 4

Er is daarnaast ook een internationale sociale dialoog, zoals bijvoorbeeld de Europese Sociale Dialoog. Dit niveau laten we hier verder buiten beschouwing.

De bijdrage van sociale partners en sociale dialoog, Sociaal-Economische Raad, Den Haag, 2011.

Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, pagina 14, Sociaal-Economische Raad en Raad voor Cultuur, Den Haag, 2016