Zorg voor een goede afbakening
van ondernemer­schap

Er is een grote diversiteit in zzp’ers, ook binnen de culturele en creatieve sector. 1 Er zijn zzp’ers die uit volle overtuiging voor het zelfstandig ondernemerschap hebben gekozen. Een groot deel daarvan blijft bewust eenpitter, een ander deel heeft de ambitie om te groeien. Ook zijn er zzp’ers die geen keuze hebben tussen werknemer­schap of zzp-schap omdat ze een beroep hebben gekozen dat niet of in zeer beperkte mate in loondienst kan worden uitgeoefend. Denk aan beeldend kunstenaars, componisten, fotografen of galeriehouders. Er zijn ook mensen die uit noodzaak zzp’er zijn geworden. Zij zijn bijvoorbeeld hun baan kwijtgeraakt en kunnen min of meer alleen via het zzp-schap aan werk komen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd met musici die in dienst waren bij een orkest, zangers werkzaam bij een koor of docenten die in loondienst waren bij een muziekschool en technici bij podia. Ook wordt er afwisselend (voltijds) in loondienst en als zzp’er gewerkt. En het komt ook voor dat zzp’ers tijdelijk de rol van opdrachtgever aannemen. Tot slot is het van belang op te merken dat er in de sector ook hybride zzp-schap, een combinatie van een (deeltijd)­baan en zzp’er zijn, relatief vaak voorkomt.

De raden vinden het belangrijk dat mensen die zzp’er willen worden hun wens ook kunnen realiseren. Daarentegen zouden mensen die uit noodzaak zzp’er zijn geworden meer kansen moeten krijgen om weer in (vaste) loondienst te kunnen treden. In de beleidsdiscussie over zzp’ers wordt vaak gesproken over het onderscheid tussen echte zelfstandigen, schijn­zelfstandigen en werknemers. Relatief vaak eindigt die discussie in een patstelling met een pleidooi om of (individuele) ondernemers­vrijheid voorop te stellen, of (collectieve) bescherming. De raden zijn van mening dat beide waarden van belang zijn en dat er een modus moet worden gevonden om zzp’ers te faciliteren en eveneens een zekere bescherming te bieden.

De raden constateren dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de status van zzp’ers. De onduidelijkheid is vergroot met de invoering van de Wet DBA en de modelovereenkomsten waarin zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de arbeids­relatie die ze aangaan. De wet is bedoeld om beter onderscheid te maken tussen zelfstandigen en mensen in loondienst – en daarmee schijn­zelfstandigheid te bestrijden –, maar in de praktijk heeft dit geleid tot terughoudendheid bij opdrachtgevers omdat ze bang zijn mensen in dienst te nemen en/of vrezen voor naheffingen en boetes van de Belastingdienst en bij een deel van de zzp’ers tot minder opdrachten. Vanwege de commotie die de wet DBA opriep, heeft het kabinet besloten om de werking van de Wet DBA in ieder geval tot 2018 uit te stellen. 2

De sector kent een relatief groot aantal zelfstandigen en heeft ook daardoor baat bij een heldere afbakening van ondernemerschap. Daarbij zou de focus niet zozeer moeten liggen op een juridische afbakening van het begrip zzp’er – ondernemer is een open wettelijke term inherent aan de aard van het ondernemerschap –, maar op een sociaal­economische benadering. Daarbij zijn verschillende denkrichtingen mogelijk. 3 De raden adviseren de overheid om de knelpunten die zijn voortgekomen uit de wet- en regelgeving zo spoedig mogelijk op te lossen en duidelijkheid te verschaffen over wanneer er sprake is van loondienst en wanneer er sprake is van zelfstandig ondernemen.

Fiscaal gezien is er onderscheid in drie categorieën zelfstandigen: IB-ondernemers en zelfstandige beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en resultaat­genieters. De laatste groep, waaronder freelancers vallen, heeft geen recht op fiscale ondernemers­faciliteiten.

Bang voor boetes of naheffingen? Niet nodig. belastingdienst.nl. De Belastingdienst schort de repressieve handhaving van de Wet DBA op tot in ieder geval 1 januari 2018, tenzij er sprake is van kwaad­willendheid omdat er opzettelijk een situatie van evidente schijn­zelfstandigheid is.

Zie bijvoorbeeld de aanbevelingen van de Commissie Boot, Commissie (model)­overeenkomsten. Eindrapport, Ministerie van Financiën, Den Haag, 2016. Deze commissie adviseert onder­nemerschap af te bakenen op basis van de duur van de opdracht, de prijs en de aard van het werk.