Pas subsidie­voorwaarden
en -systematiek aan

De zeer lage arbeidskosten in de sector zijn een indicatie dat onvoldoende rekening wordt gehouden met een reële doorberekening van de kosten. De oplossing voor dit vraagstuk begint bij de maker of instelling zelf die in termen van gebruikte materialen en arbeidstijd de productiekosten in beeld moet brengen. Voor zover het de gesubsidieerde sectoren betreft, vinden de raden dat subsidiënten erop moeten letten dat bij het indienen en toekennen van subsidie­aanvragen redelijke vergoedingen voor kunstenaars worden begroot, waarbij ook rekening is gehouden met andere arbeidsvoorwaarden. Ook zijn er knelpunten in de subsidie­systematiek, die een gezondere bedrijfs­voering en redelijke arbeids­voorwaarden onder druk zetten. De raden vinden het van groot belang dat de overheid dergelijke knelpunten meeneemt bij de aangekondigde herziening van het cultuur­subsidies­telsel vanaf 2021. De raden zien het als de verantwoordelijkheid van Rijk, provincies en gemeenten en publieke fondsen om de onderstaande punten mee te nemen.

Redelijk vergoeding als subsidievoorwaarde

De raden adviseren subsidiënten als de overheid en de fondsen om voorwaarden te stellen aan het toekennen van een fonds- of overheids­subsidie. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het onder­schrijven van een code voor goed opdrachtgeverschap / werkgeverschap, een met de representatieve makers­verenigingen overeengekomen standaard­overeenkomst met minimum­tarieven, of het hanteren van een met representatieve verenigingen overeengekomen honorarium­richtlijn. Het toepassen van een redelijke vergoeding als subsidie­voorwaarde, inclusief bij het subsidie­budget passende prestatie-­eisen is een verantwoorde­lijkheid van de overheid en andere subsidiënten (fondsen).

In verhouding met outputeisen

De eisen die gepaard gaan met overheids­subsidie kunnen een gezonde bedrijfs­voering en redelijke arbeids­voorwaarden onder druk zetten. Zo ontstaan er problemen wanneer een overheid of fonds een lagere subsidie aan een instelling toekent dan die had gevraagd, maar wel dezelfde output verwacht als aangegeven in de subsidie­aanvraag. Eveneens problematisch is het wanneer gemeenten besluiten om de subsidies van lokale podia te verlagen, met als gevolg dat de beschikbare uitkoopsommen per voorstelling of concert fors dalen en de toegangskaartjes flink duurder worden, terwijl de rijksoverheid onverminderd lokale speelbeurten met een bepaalde opbrengst en opkomst verwacht. De raden achten het van belang dat outputeisen in verhouding staan tot het budget, met in achtneming van redelijke arbeids­voorwaarden voor medewerkers.

Rekening houden met bedrijfsvoering en exploitatiekosten

In subsidietoekenningen wordt voorts niet altijd voldoende rekening gehouden met de kosten van exploitatie en bedrijfs­voering. Deze komen niet alleen ten goede aan werkgever- en opdrachtgeverschap, maar ook aan inspanningen om meer publieks­inkomsten of private gelden te realiseren, bijvoorbeeld via marketing. Het meren­deel van de culturele instellingen in ons land wordt gesubsidieerd via cultuur­fondsen op projectbasis. Deze project­subsidies mogen vaak niet aangewend worden voor exploitatie en bedrijfs­voering, wat een gezonde bedrijfs­voering en lange­termijn­planning door instellingen bemoeilijkt. Instellingen die wel meerjarige subsidies ontvangen – zoals de instellingen in de culturele basis­infrastructuur als het Rijksmuseum en een aantal instellingen via de publieke cultuur­fondsen – krijgen een bedrag voor exploitatie en bedrijfs­voering dat niet geïndexeerd is. Aangezien de kosten van instellingen wel elk jaar stijgen, heeft dit een sterk uithollend effect op de slagkracht van instellingen en ondergraaft het onder meer de ruimte van instellingen om mensen in vaste dienst te nemen en een reëel arbeids­voorwaarden­overleg te voeren. De raden bevelen aan dat periodieke indexatie een onderdeel gaat vormen van meerjarige subsidieafspraken. Ook zou voor fonds-gefinancierde instellingen gekeken kunnen worden hoe de behoefte aan meer stabiliteit, gecombineerd kan worden met een impuls voor professionalisering van de bedrijfs­voering.